Laatste nieuws

Geen boete langs de weg in Oostenrijk (17 January 2012)

Uitbreiding naar 8 advocaten (04 January 2012)

Fijne kerst en een spetterend 2012 ! (16 December 2011)

 

Archief per jaar

2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001

 

Voer a.u.b. een woord in om te zoeken.

Cabotage in wegvervoer: langer dan u denkt!

Haarlem — 5 augustus 2002

artikel gepubliceerd in Nieuwsblad Transport van 2 augustus 2002

De Febetra, de Belgische wegvervoersorganisatie wil duidelijkheid over cabotage.  En wel over de tijdsduur  van de cabotage.  Hoe lang mag een vervoerder in een ander land caboteren?  Volgens de Europese wetgeving is cabotage nog steeds van tijdelijk karakter.  Dat de Febetra  het van de Europese overheid duidelijkheid verlangt is begrijpelijk.  De Cabotageverordening is immers Europees recht.  Ze willen ook duidelijkheid van de Belgische overheid.  Een Belgische uitleg zou wel eens getroffen kunnen worden door een terechtwijzing van de Commissie of nog later van het Europese Hof.  Bovendien zit België ook nog eens in de Benelux die de kwantitatieve beperkingen inzake cabotage al in 1992 had afgeschaft.  Het is nu  angst voor Oost-europese vervoerders dat de Febetra ertoe brengt de cabotage te beperken.

Volgens het artikel in Nieuwsblad Transport van 19 juli 2002 zou de Franse overheid  wel al het begrip ‘tijdelijk’ hebben ingevuld.  Een buitenlandse vervoerder mag één week zonder onderbreking actief zijn. Volgens het bericht zou de chauffeur na die week terug moeten keren naar het land van registratie.  De Belgen willen dat ook.  Uit een enquête onder de leden bleek dat liefst 81% van de leden opteert voor zo’n regeling.  Febetra  wil dus geen duidelijkheid, zij wil een beperking van de cabotage qua tijdsduur in eigen land.  Niet duidelijk is of zij ook beseffen dat die beperking dan ook gaat gelden in ander lid-staten.  Hoewel in het artikel wordt gesteld dat veel Spaanse transportbedrijven tijdens de bietencampagne in Noord-Frankrijk opereerden, zal de Franse maatregel ook wel wat Belgen getroffen hebben.  Tijd dus om ook de Fransen de voet dwars te zetten, zo lijkt.  Men kan er op wachten en binnen de kortste keren is cabotage in geheel Europa gelimiteerd tot één week.  De  Febetra meent dat zulks ook in lijn is met het doel van de cabotageverordening gericht op het terugdringen van lege retourritten.  Nu, dat lijkt mij in dit voorbeeld nu helemaal niet op te gaan.  Als Spaanse vervoerders geen emplooi in Spanje hebben en in Noord-Frankrijk bieten wegrijden, kan het wel eens zijn dat ook de heen- en terugrit leeg is.

Alweer die angst voor cabotage, terwijl toch uit de cijfers van de Europese Commissie blijkt dat het nauwelijks iets voorstelt.  De penetratiegraad van cabotage binnen de EU is over de periode 1990-1998 is 0,164%  van het gehele binnenlandse vervoer.  Het eigen binnenlandse vervoer is dus 600 keer groter qua omvang, zo blijkt uit een rapport van de Europese Commissie. De explosie na 1998 is dus uitgebleven.  Ook blijkt slechts 2% van het totale cabotagevervoer in de EU voor rekening te komen van wegvervoerders uit  “lagelonenlanden” zoals  Spanje.

Intussen zitten ook andere vervoerders met het probleem dat zij niet weten hoe lang de cabotage mag duren.  Dat zijn vervoerders die juist de mogelijkheden om cabotage uit te voeren zo ruimschoots mogelijk willen invullen.  Wat wordt nu verstaan onder tijdelijk?  Verordening  3118/93 bepaalt in artikel 12 lid 3 dat niet ingezeten vervoerders  tijdelijk en zonder kwantitatieve beperkingen worden  toegelaten tot het verrichten van binnenlands vervoer over de weg in een andere Lid-Staat.  In april 1999 meende EG-ambtenaar van Vreckem dat gedacht moest  worden aan twee maanden.  Dat  was  ter gelegenheid van een bijeenkomst van Nederlandse en Britse juristen bij de Vereniging van publiek vervoerrecht.  In die zelfde maand schrijft een ambtenaar van het Britse Ministerie van Transport van mening te zijn dat er geen ‘time limit’ op staat, omdat het Europese Hof zich nog niet over de interpretatie heeft uitgelaten. Hij meende dat de voertuigen eens per jaar naar de thuisbasis moesten terugkeren om de APK-keuring te ondergaan.  Intussen heeft wel Advocaat-Generaal Ruiz-Jarabo Colomer in de Andreas Hoveszaak (C-115/00) licht geworpen hoe rekkelijk het tijdelijke karakter van cabotage eigenlijk is.  Hoewel het Hof zich niet  hoefde uit te laten over deze vraag, is toch richtinggevend wat de Advocaat-Generaal in zijn conclusie heeft geschreven.

De Advocaat-Generaal wijst erop dat aangezien de vervoerder geen permanente basis in het gastland heeft cabotage per definitie tijdelijk is. Cabotage is een dienstverlening zonder structureel element.  Vervolgens verwijst de Advocaat-Generaal voor de uitleg van het begrip ‘tijdelijk’ naar de Gebhard-zaak van het Europese Hof  uit 1995,  waar het ging om een Duitse advocaat die in Italië diensten verrichtte.  Ook daar was de interpretatie van  wat onder ‘tijdelijk’ moest worden verstaan, aan de orde.  Het Hof oordeelde: “Het tijdelijk karakter van de dienstverlening moet worden beoordeeld aan de hand van de duur, de frequentie, de periodiciteit en de continuïteit van de dienst.”  Men mag zelfs een  infrastructuur hebben als dat noodzakelijk is om de betrokken dienst te kunnen verrichten.  Juist.  Dat geeft onduidelijkheid en dus veel meer ruimte. Dat is misschien ook wel de bedoeling van het Hof omdat  Europese basisprincipes in het geding zijn  nl. de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening.  De vraag 1 of 52 weken is daarmee niet opgelost. Wel blijkt in beide zaken - Gebhard en Andreas Hoves - dat de feitelijke constellatie zoals deze uit de stukken naar voren komt eerder doet denken aan een jaar of langer dan aan één  week.  Zo blijkt  bijvoorbeeld uit de stukken, dat Gebhard  feitelijk  gevestigd was in Italië.  Daarmee speelde in zijn zaak niet de vrijheid van het verrichten van diensten, maar de vrije vestiging.  Maar als het Hof er in een adem aan toevoegt dat ook bij het tijdelijk verrichten van diensten een infrastructuur (kantoor of cabinet) mogelijk is, kan toch niet gauw aan één week worden gedacht.

In de Andreas Hoveszaak blijkt met name uit de feitelijke omstandigheden dat er maar liefst jaren achter elkaar cabotage werd gedaan, zij het dat dit vóór 1998 geschiedde met de zogenaamde cabotage-vergunningen.  In dit voor het wegvervoer belangrijke arrest is met name uitgemaakt dat een ontvangende  lidstaat geen wegenbelasting kan heffen  bij een niet-ingezeten vervoerder die  tijdelijk binnenlands vervoer verricht.  Juist omdat  de vervoerder niet-ingezeten is en dus zijn voertuigen daar gewoonlijk niet stalt (de Engelse tekst spreekt over het hebben van een ‘regular base’) is de dienstverrichting tijdelijk.  Anders gezegd.  Als men wel een vestiging in het ontvangende land had, was er sprake van structurele dienstverlening en diende men te beschikken over een vergunning van het land van vestiging.  Tijdelijk is in de optiek van deze materie dus op te vatten als niet structureel.  Daarmee is de vrijheid van dienstverlening overeind gebleven en dient het ‘tijdelijk’ slechts als onderscheiding van de in het ontvangende land geregistreerde voertuigen die immers aldaar structureel opereren.  Die uitleg  past perfect in de grondgedachte van de een gemeenschappelijke markt : de afschaffing van alle beperkingen.  Het kan dus zelfs heel veel meer dan 52 weken zijn.  De Franse maatregel zou met succes kunnen worden aangevochten.

 

ยป Terug naar het nieuwsoverzicht