Laatste nieuws

Geen boete langs de weg in Oostenrijk (17 January 2012)

Uitbreiding naar 8 advocaten (04 January 2012)

Fijne kerst en een spetterend 2012 ! (16 December 2011)

 

Archief per jaar

2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001

 

Voer a.u.b. een woord in om te zoeken.

Grote toename Cypriotische en Maltezer chauffeurs voorzien

Haarlem — 2 maart 2003

Onderdanen van de 10 kandidaat-lidstaten zijn vrijgesteld van het CCV-B-diploma als zij in dienst zijn van een Nederlandse transportbedrijf. Dat is opmerkelijk. Dat is een betere positie dan de Nederlander en de onderdanen van de oude lid-Staten. De eerste moet nog steeds een € 5.000 op tafel leggen voor het fel begeerde diploma. De Fransman, Duitser, Belg enzovoorts moet nog zijn eigen rijbewijs laten zien om na te gaan of dat kan worden omgewisseld voor een Nederlands groot rijbewijs C, D of E. De vraag is nu terecht of het verplichte diploma nog wel overeind kan worden gehouden. Dan  komt een einde aan een overmoedige stap van de Nederlandse overheid uit 1978. Die dacht dat Europa mee zou gaan in het opleggen van een chauffeursdiploma. Niet dus. Als gevolg daarvan liep het vrije werknemersverkeer niet altijd even soepel. Chauffeurs uit het buitenland met dertig jaar en meer ervaring moesten ineens een diploma in de Nederlandse taal halen als ze hier wilde werken! Steeds meer moest gegrepen worden naar allerlei vormen van ontheffing. In 1996 wilde de regering bij de MDW-operatie de diploma-plicht afschaffen. Heftige oppositie van werkgevers- en werknemersorganisatie deed het kabinet ertoe besluiten om de diplomaplicht te handhaven. In een bezwaarschrift uit 1998 (zie onderaan) is nog door een aantal bedrijven gepoogd om het vrije werknemersverkeer te bevorderen. De diplomaplicht werd niettemin in het nieuwe Arbeidstijdenbesluit Vervoer opgenomen. De uitzonderingen zijn qua tekst intussen langer dan de plicht zelf.

Wat nu gaat gebeuren laat zich raden. Nederlandse kandidaat-chauffeurs laten zich tot bijvoorbeeld Cyprioot of Maltezer naturaliseren en kunnen dus vrij rondrijden zonder diploma. Dan toch maar beter diplomaplicht afschaffen!?

 

------------------------------

Bezwaarschrift uit 1998 

------------------------------

 

De Minister van Verkeer en Waterstaat

Postbus 20901

2500 EX DEN HAAG

Per telefax 070 3517051
 
 

Haarlem, 14 maart 1998

Betr.: bezwaar tegen artikel 2.7:2 chauffeursvakbekwaamheid

Excellentie,

Namens de in bijlage 1 (N.B. niet gepubliceerd  op WWW) vermelde bedrijven die (internationaal) vervoer van goederen en personen verrichten maak ik binnen de gestelde termijn van 10 dagen bezwaar tegen de diplomaplicht opgenomen in het Ontwerp-besluit wijziging Arbeidstijdenbesluit vervoer gepubliceerd in Staatscourant 1998, nr. 38 van 25 februari 1998. Indertijd beoogde het kabinet in het kader van de deregulering de nationale diplomaverplichting terzijde te stellen. Een terechte dereguleringsmaatregel gelet op de situatie in andere lid-Staten en de vrije toegang tot het beroep. Vanuit de branche-organisaties werden daar bezwaren tegen gemaakt, waarbij onduidelijk was of die bezwaren samenhingen met (paritaire) opleidingsinstituten, het bestaan daar van en hun inkomsten, dan wel gemeende argumenten inzake de kwaliteit van de dienstverlening. Nu bedrijven steeds vaker ertoe overgaan om door middel van keurmerken zichzelf te onderscheiden, gaat het niet aan om wettelijke verplichtingen dienaangaande op te leggen. Voorts prijs ik uw voortvarendheid m.b.t. de aanbieding aan de Tweede Kamer van dit dossier. Dit bezwaar hoe lang ook qua inhoud beoogt absoluut niet de van krachtwording van het Arbeidstijdenbesluit vervoer te vertragen. Wellicht is het daarom wenselijk bepaling 2.7:2 eruit te halen.

Kern van het bezwaar

Kern van het bezwaar is dat artikel 2.7:2 van het concept-Arbeidstijdenbesluit Vervoer de het vrij verkeer van werknemers tussen de lid-Staten en dus arbeidsmobiliteit binnen de Europese Unie (EU) frustreert. Nederland is het enige land waarbij personen geboren na 30 juni 1955 in dienst van in Nederland gevestigde bedrijven verplicht zijn een chauffeurs-diploma te behalen willen zij vervoer verrichten met een vrachtauto boven 7500 kg of met een bus.

Wettelijk kader

Artikel 3 van het Verdrag van de Europese Gemeenschap (Trb. 1998 Nr. 13) geeft onder meer als doelstelling

sub c. een interne markt, gekenmerkt door de afschaffing tussen de lid-staten van hinderpalen voor het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal,

sub f. een gemeenschappelijk beleid op het gebied van het vervoer,

sub h. het nader tot elkaar brengen van de nationale wetgevingen in de mate waarin dat voor de werking van de gemeenschappelijke markt noodzakelijk is,

Volgens artikel 14 van het Verdrag stelt de Gemeenschap de maatregelen vast die ertoe bestemd zijn de interne markt geleidelijk tot stand te brengen in de loop van een

periode die eindigt op 31 december 1992. De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd.

In artikel 39 (ex artikel 48) wordt o.a. bepaald:

"1. Het verkeer van werknemers binnen de Gemeenschap is vrij.

2. Dit houdt de afschaffing in van elke discriminatie op grond van de nationaliteit tussen de werknemers der lidstaten, wat betreft de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden.

3. Het houdt behoudens de uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid gerechtvaardigde beperkingen het recht in om,

a. in te gaan op een feitelijk aanbod tot tewerkstelling,

b. zich te dien einde vrij te verplaatsen binnen het grondgebied der lidstaten,

c. in een der lidstaten te verblijven teneinde daar een beroep uit te oefenen overeenkomstig de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen welke voor de tewerkstelling van nationale werknemers gelden,"

Meer specifiek spelen de artikelen 5 (bemanning ) en artikel 11 (hogere minima en lagere maxima) van Verordening 3820/85 en Richtlijn 76/914 betreffende het minimum-niveau van opleiding van bestuurders in het wegvervoer een rol.

Strijd met gemeenschapsrecht

Op basis van het vorenstaande is de ontwerp-bepaling 2.7:2, zoals thans voorzien, zijnde een voortzetting van art. 10 lid 2 sub c. in strijd met het Europese recht. Alvorens dit aan de hand van onder meer jurisprudentie van het Europese Hof te betogen, ga ik in op de achtergrond van de juridische constellatie van de verdergaande eisen in Nederland en hoe deze is ontstaan.

1. De artikelen 9 en 10 Rijtijdenbesluit in relatie tot artikel 5 lid 1 jo. 11 Vo. 3820/85 in relatie tot Richtlijn 76/914.

Artikel 10 lid 2 Rtb. is de invulling is van 'het hogere minimum', door de minimum-leeftijd van 21 jaar genoemd in artikel 5 van Verordening 3820/85 hoger te stellen. Doordat die leeftijdsgrens in Nederland elk jaar één jaar omhoog gaat, wordt het verschil met de situatie uit Verordening 3820/85 steeds groter. Daarmee geraakt het harmonisatiestreven ook steeds verder weg, temeer nu er in geen van de lid-Staten soortgelijke bewegingen gaande zijn, althans niet door middel van wettelijke verplichting. De situatie in elke andere lid-Staat is derhalve dat een chauffeur naast zijn groot rijbewijs over een verplicht diploma moet beschikken in de leeftijd tussen 18 - 21 jaar, als hij op een vrachtwagen met een maximumgewicht van meer dan 7500 kg of een bus wil rijden. In Nederland zijn er twee verschillen: de verplichting geldt tussen 18 en (nu) 42 jaar, en het diploma is veel zwaarder. De consequentie in extremo van deze nationale regeling is dat buitenlandse chauffeurs in dienst van zusterbedrijven van klagers al op hun eenentwintigste zonder diploma legaal in Nederland internationaal vervoer mogen verrichten (zie art 11 Vo. 3820/85, laatste volzin), maar als zijn collega van 41 zich binnen Nederland wil vestigen en bij klagers in dienst treden een Nederlands chauffeursdiploma moeten halen. In sommige landen (bijv. Duitsland) kunnen werknemers geen nationaal diploma halen, omdat zij bijvoorbeeld pas na hun 21e op een grote vrachtwagen zijn gaan rijden en de opleiding in leerlingenstelsels alleen openstaat voor jongeren.

Jurisprudentie van het Europese Hof te Luxemburg

Zaak C-71/76

Het betrof een Belgische advocaat die wenste te worden toegelaten tot de Parijse Balie.

Rechtsoverweging 19:

'dat in het bijzonder sprake zou zijn van een ongerechtvaardigde beperking dier vrijheid in het geval dat in een bepaalde lid-staat de toegang tot een bepaald beroep zou worden ontzegd aan een persoon die onder de toepassingssfeer van het verdrag valt, die houder is van een diploma dat als gelijkwaardig is erkend door de bevoegde autoriteit van het land van vestiging, en die bovendien heeft voldaan aan de in dat land geldende specifieke voorwaarden van beroepsopleiding, op de enkele grond dat de betrokkene niet in het bezit is van het nationale diploma overeenkomende met het diploma waarover hij wel beschikt en dat als gelijkwaardig is erkend;'

Dictum

'Het Hof van Justitie uitspraak doende op de door de Cour d 'Appel te Parijs bij in raadkamer gewezen arrest van 13 juli 1976 gestelde vragen, verklaart voor recht: het feit dat van een onderdaan van een lid-staat die in een andere lid-staat een beroepsactiviteit wil uitoefenen, zoals het beroep van advocaat, het door de wet van het land van vestiging voorgeschreven nationale diploma wordt verlangd, terwijl het door betrokkene in zijn land van herkomst behaalde diploma als gelijkwaardig is erkend door het krachtens de wetgeving van het land van vestiging bevoegde gezag en het hem aldus mogelijk heeft gemaakt met vrucht de bijzondere proeven van het toelatingsexamen voor het betrrokken beroep af te leggen, vormt zelfs bij het ontbreken van in artikel 57 bedoelde richtlijnen een beperking die onverenigbaar is met de in artikel 52 van het verdrag gewaarborgde vrijheid van vestiging.'

Commentaar op deze uitspraak in relatie tot het onderhavige diplomaverplichting, is, dat er voor chauffeurs wel een Richtlijn bestaat (76/914), die een minimum opleidingsniveau in het leven roept voor de 18 tot 21-jarigen. Zowel Verordening 3820/85 als Richtlijn 76/914 gaan uit van de registratie van het voertuig van het bemanningslid. Daardoor ontstaat discriminatie naar nationaliteit zodra een buitenlander bij een Nederlandse vervoerder in dienst treedt.

Zaak C-11/77 Een Britse architect wilde ook al in Frankijk werken.

Dictum

'Het hof van justitie, uitspraak doende op de door het Tribunal Administratif de Paris bij beschikking van 3 januari 1977 gestelde vraag, verklaart voor recht:

Vanaf 1 januari 1973 geniet een onderdaan van een nieuwe lid-staat die een bewijsstuk kan overleggen, dat door de bevoegde autoriteiten van de lid-staat van vestiging als gelijkwaardig is erkend aan het in deze staat afgegeven en vereiste diploma, het recht van toegang tot en uitoefening van het beroep van architect onder onder dezelfde voorwaarden als de eigen onderdanen van de lid-slaat van vestiging, zonder dat nadere voorwaarden aan hem kunnen worden tegengeworpen.'

Commentaar: Het bewijsstuk dat buitenlandse chauffeur zonder diploma kunnen overleggen is hun geboorte-akte dat zij 21 jaar zijn geworden.

Zaak C-16/78

Nu chauffeurs vanuit andere lid-Staten vaak alleen een groot rijbewijs kunnen overleggen en sinds de stichting CCV ondergebracht is bij het CBR is het eerder een zaak van rijbewijzen, dan van vakbekwaamheid. Immers zit er de laatste jaren zeker een verwevenheid tussen het CCV-diploma en het groot rijbewijs. In verband daarmee zij gewezen op het arrest van het Europese Hof, welke betrekking heeft op het rijbewijs in relatie tot artikel 48 EEG-Verdrag. In zaak uit C-16/78 had ene Michel Choquet, een Fransman een verkeersongeval in Duitsland begaan. Nu woonde hij al meer dan 1 jaar in

Duitsland en diende hij volgens de Duitse wetgeving een Duits rijbewijs te bezitten. De afgifte daarvan was eenvoudig en in het algemeen behoefde men geen nieuw examen af te leggen. De verwijzende rechter van het Amstgericht Reutlingen vroeg zich echter af of dat niet toch tot taalproblemen aanleiding kon geven en dat er voor betrokkene wellicht onevenredige kosten aan konden zitten, hetgeen wellicht strijd op zou leveren met het non-discriminatiebeginsel van artikel 7 van het EEG-verdrag en artikel 48 terzake van het recht van vrij verkeer van werknemers.

Dictum

'........dat het in beginsel niet onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, wanneer een lid-staat van onderdanen van andere lid-staten, die zich blijvend op zijn grondgebied vestigen, verlang dat zij zich voor het besturen van motorrijtuigen van een nationaal rijbewijs voorzien, zelfs indien zij houder zijn van een door de autoriteiten van hun staat van herkomst afgegeven rijbewijs;

Dat een dergelijk vereiste evenwel zou kunnen worden beschouwd als een indirecte aantasting van de uitoefening van het recht van vrij verkeer, van het recht van vrije vestiging of van de vrijheid van dienstverrichting, zoals gewaarborgd door respectievelijk de artikelen 48, 52 en 59 EEG-verdrag, en bijgevolg als onverenigbaar met het verdrag, indien mocht blijken dat de eisen door de nationale regeling gesteld aan de houder van een door een andere lid-staat afgegeven rijbewijs, redelijkerwijze niet in verband kunnen worden gebracht met de eisen inzake de veiligheid van het wegverkeer.'

Commentaar

Een beroep op de verkeersveiligheid zou Nederland niet toekomen omdat dagelijks honderden buitenlandse chauffeurs ouder dan 21 jaar zonder enig certificaat gerechtigd zijn om o.g.v. artikel 5 Vo. 3820/85 vervoer in ons land te verrichten. het CCV-B-diploma roept wis en waarachtig taalproblemen op. Er is voorts sprake van indirecte discriminatie nu er geen leerboeken voor de opleiding van het CCV-B-getuigschrift in vreemde talen voor handen zijn. De examinerende instantie CBR (divisie CCV) examineert niet in de enige vreemde taal. De kosten voor een CCV-B diploma inclusief examen komen op meer dan f 3.000,--.
 
 

Zaak C-246\80

Een Nederlandse onderdaan had een aantal jaren in België als huisarts gepraktizeerd en kwam weer terug naar Nederland. De Huisartsregistratiecommissie wilde dat beletten door een aanvullende opleiding te eisen voor huisartsen uit andere lid-Staten.

Rechtsoverweging 24

Daaruit volgt dat, in een situatie zoals die in Nederland bestaat, waar de erkenning als huisarts voorwaarde is voor de toegang tot de uitoefening van de geneeskunde, de bevoegdheid van de houder van een in een andere lid-staat afgegeven diploma om het beroep van huisarts uit te oefenen, rechtstreek voortvloeit uit de erkenning van dat diploma krachtens artikel 2 van de richtlijn, en niet uit het verkrijgen van aanvullende getuigschriften of hoedanigheden in de staat van vestiging.

Rechtsoverweging 25

Opgemerkt zij overigens dat artsen met de nationaliteit van een andere lid-staat. die in een andere lid-staat dan Nederland een krachtens richtlijn nr. 75/362 erkend diploma hebben behaald, in Nederland tot het beroep van huisarts worden toegelaten zonder een aanvullende opleiding te hebben gevolgd. Uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen volgt dat geen andere eisen mogen worden gesteld aan de toegang tot het beroep van huisarts van een arts van Nederlandse nationaliteit, die eenzelfde diploma heeft behaald.

Dictum

Het hof van justitie, uitspraak doende op de door de commissie van beroep huisartsgeneeskunde bij beslissing van 21 oktober 1980 gestelde vraag, verklaart voor recht: richtlijn nr. 75/362 moet aldus worden uitgelegd, dat een onderdaan van een lid-staat die in een andere lid-staat een in artikel 3 van de richtlijn genoemd diploma heeft behaald en die uit dien hoofde in die andere lid-staat een huisartsenpraktijk mag uitoefenen, gerechtigd is zich in de lid-staat waarvan hij onderdaan is, als huisarts te vestigen, ook indien die lid-staat voor de toegang tot dat beroep aanvullende opleidingseisen stelt aan houders van op zijn eigen grondgebied behaalde artsdiploma's'

Commentaar: De laatste regel uit het dictum zegt met zoveel woorden dat een lid-Staat het recht heeft aan de eigen onderdanen meer eisen te steilen, maar dat mag er niet toe leiden dat aan iemand uit een andere lid-Staat deze eisen worden opgelegd als hij aan de voorwaarden in zijn land voldoet. Kanttekening is dat het hier en ook in de twee andere gevallen om vrije beroepsbeoefenaars ging. Maar niet in de volgende zaak:
 
 

Zaak C-222/86

Een Belgische onderdaan was als voetbaltrainer met een Belgisch diploma bij Lille Olympique Sporting Club aangesteld. Wegens overtreding, respectievelijk als dader en als medeplichtigen, van een Franse wet inzake lichamelijke en sportactiviteiten en het onrechtmatig voeren van een titel werd hij vervolgd. In Frankrijk heeft men voor de toegang tot het beroep van voetbaltrainer nl. een binnenlands diploma nodig of 'een buitenlands diploma dat bij beslissing van het bevoegde lid van de regering, na advies van een bijzondere commissie, als gelijkwaardig is erkend. '
 
 

De vraag die de Franse rechter aan het Hof van Justitie heeft voorgelegd, was:

´...of het in artikel 48 EEG-verdrag verankerde beginsel van het vrije verkeer van werknemers verlangt dat, wanneer in een lid-staat voor de toegang tot een beroep in loondienst het bezit vereist is van een binnenlands diploma of van een als gelijkwaar-dig erkend buitenlands diploma, de beslissing waarbij aan een werknemer/onderdaan van een andere lid-staat de erkenning van de gelijkwaardigheid van het door die andere lid-staat afgegeven diploma wordt geweigerd, vatbaar is voor beroep in rechte en met redenen is omkleed.'

Tussencommentaar: Ik merk op dat in deze wet ai het bestaan van een gelijkwaardig buitenlands diploma wordt erkend. In de Rijtijdenwet is dat niet geregeld. Allereerst wordt er in rechtsoverweging 8 en 9 op gewezen dat voor het antwoord op deze vraag eraan moet worden herinnerd, dat artikel 48 EEG-verdrag (thans 39) voor de werknemers de toepassing vormt van het fundamentele beginsel van artikel 3, sub c, EEG-verdrag en het ter uitvoering van het in artikel 7 EEG-verdrag uitgedrukte algemene beginsel dat elke discriminatie op grond van nationaliteit verboden is. Zulks houdt in :

'De afschaffing van bepalingen in de wetgeving van de lid-staten die op het gebied van de werkgelegenheid, de beloning en de overige arbeidsvoorwaarden, een werknemer die onderdaan is van een andere lid-staat aan een strengere behandeling onderwerpen of hem rechtens of feitelijk in een nadelige positie plaatsen vergeleken met de positie van een eigen onderdaan in dezelfde omstandigheden.'

Tussencommentaar: Alle buitenlandse chauffeur worden rechtens en feitelijk in een nadelige positie geplaatst omdat hij de Nederlandse taal niet machtig is en een Nederlandse opleiding moet volgen en een Nederlands examen moet afleggen.

Rechtsoverweging 3

'Aangezien de erkenningsprocedure het vereiste van de voor de uitoefening van een bepaald beroep noodzakelijke bekwaamheden moet verzoenen met de dwingende eisen van het vrije verkeer van werknemers, moet zij de nationale instanties in staat stellen, er zich zo objectief van te overtuigen, dat de houder van het buitenlandse diploma beschikt over kennis en bekwaamheden die zo niet identiek, dan toch ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke uit het binnenlandse diploma blijken. Bij deze beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlandse diploma mag uitsluitend worden gelet op het niveau van de kennis en bekwaamheden dat de houder ervan mag worden geacht te bezitten, rekening houdende met de aard en de duur van de studie en de praktijkopleiding waarvan het de voltooiing bewijst.'

In overweging 14 wordt vervolgens gesproken over de vrije toegang tot het arbeidsproces als een fundamenteel recht en het worden toegelaten tot een beroepsprocedure wordt omschreven als een 'algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, dat voortvloeit uit het constitutionele erfgoed dat alle lid-staten gemeen hebben en dat eveneens is neergelegd in de artikelen 6 en 13 van het Europese verdrag tot bescherming van de rechten van de Mens.'

Het Hof van Justitie oordeelde dat de beslissing over de erkenning van de gelijkwaardig- heid voor beroep vatbaar moest zijn.

Zaak C-330/89

Het ging om een advocate uit Griekenland (Vlassopoulou) die in Duitsland tot de balie wenste te worden toegelaten. Allereerst merkt het Hof op dat Lid-Staten, volgens artikel 5 EEG-Verdrag gehouden zijn: 'alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren"

en zich te onthouden

"van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen."

In rechtsoverweging 15 wordt gesteld dat:

' nationale kwalificatievereisten, ook wanneer zij worden toegepast zonder discriminatie op grond van nationaliteit, tot gevolg kunnen hebben, dat de uitoefening door onderdanen van andere Lid-Staten van het hun in artikel 52 EEG-Verdrag gewaarborgde recht van vestiging, wordt belemmerd. Dit kan het geval zijn, wanneer in de nationale voorschriften geen rekening wordt gehouden met door de betrokkene reeds in een andere Lid-Staat verworven kennis en bekwaamheden.'

(16) 'Hieruit volgt, dat een Lid-Staat die moet beslissen op een verzoek om toelating tot een beroep dat naar nationaal recht slechts toegankelijk is voor degene die over een diploma of een beroepskwalificatie beschikt, rekening moet houden met de diploma' s, certificaten en andere titels die de betrokkene met het oog op de uitoefening van hetzelfde beroep in een andere Lid-Staat heeft verworven, door de uit die diploma's blijkende bekwaamheden te vergelijken met de in de nationale regeling erlangde kennis en ervaring,'

(17) 'Deze onderzoeksprocedure moet de autoriteiten van het gastland in staat stellen, er zich objectief van te overtuigen dat de houder van het buitenlandse diploma over kennis en bekwaamheden beschikt die zo niet identiek, dan toch tenminste gelijkwaardig zijn aan die welke uit het binnenlandse diploma blijken. Bij deze beoordeling van de gelijkwaardigheid van het buitenlandse diploma mag uitsluitend worden gelet op het niveau van de kennis en bekwaamheden dat de houder ervan mag worden geacht te bezitten, rekening houdend met de aard en de duur van de studie en de praktijkopleiding waarvan het de voltooiing bewijst (zie zaak C-222/86)'.

Vervolgens wordt gesteld dat een ontvangende Lid-Staat derhalve mag overgaan tot een vergelijkend onderzoek van de diploma' s, rekening houdend met de tussen de betrokken nationale rechtsordes vastgestelde verschillen. Als men vervolgens tot de conclusie komt, dat het buitenlandse diploma overeenkomt met de in dat land bij nationale wet gestelde eisen, moet de ontvangende Lid-Staat erkennen, dat dit diploma aan die buitenlandse nationale voorwaarden voldoet.

(20) ' Daarbij staat het aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beoordelen, of de in het gastland door studie of praktische ervaring verworven kennis volstaat voor het bewijs dat de ontbrekende kennis is verworven.'

(21) ' Wanneer in het gastland het vereiste geldt, dat de betrokkene een stage heeft doorlopen of praktijkervaring heeft opgedaan, staat het eveneens aan de bevoegde nationale autoriteiten om te beoordelen, of in het land van herkomst dan wel in het gastland opgedane beroepservaring geheel of gedeeltelijk kan worden geacht aan dit vereiste te voldoen.'

(33) 'Bijgevolg moet op de vraag van het Bundesgerichtshof worden geantwoord, dat artikel 52 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd dat de nationale autoriteiten van een Lid-Staat, bij wie een vergunning tot het uitoefenen van het beroep van advocaat wordt aangevraagd door een gemeenschapsonderdaan die in zijn land van herkomst reeds tot de uitoefening van dat beroep is toegelaten en in genoemde Lid-Staat reeds als rechtskundig adviseur werkzaam is, dienen te onderzoeken in hoeverre de uit het door de belanghebbende in zijn land van herkomst behaalde diploma blijkende kennis en bekwaamheden overeenkomen met die welke door de wettelijke regeling van het gastland worden vereist; indien die diploma' s slechts gedeeltelijk overeenkomen, kunnen bedoelde nationale autoriteiten van de betrokkene het bewijs verlangen, dat hij de ontbrekend kennis en bekwaamheden heeft verworven.'
 
 

3.4. Appreciatie jurisprudentie in relatie tot onderhavige zaak.

In de aangehaalde jurisprudentie van het Europese Hof - en het is slechts een greep - betreft het niet altijd vergelijkbare zaken. De meeste betreft vrije beroepsbeoefenaren. Soms zijn er wel Richtlijnen die een gedeeltelijke harmonisatie aangeven. Daarvan onderscheiden moet worden dat er soms wel en soms niet regelingen bestaan van de onderlingen erkenning van diploma's. In de onderhavige situatie is er sprake van een loondienstverhouding, zodat niet artikel 52, maar artikel 39 (oud 48) EEG-verdrag in beeld komt. Aangezien beide artikelen zwaar leunen op de fundamentele rechten als vrijheid van vestiging en het beginsel van non-discriminatie zijn de hiervoor geciteerde uitspraken relevant voor buitenlandse chauffeur in dienst van in Nederland gevestigde vervoerders.

Indringende bemoeienissen met het EEG-recht in het wegvervoer dateren al van eind jaren '60. (Totstandkoming Vo. 543/69). In die aanvangsfase is gekozen voor harmonisatie op minimum-niveau om überhaupt overeenstemming te verkrijgen. Richtlijn 76/914 inzake het minimum-niveau van opleiding voor chauffeur is daar een goed voorbeeld van. Gewezen zij ook op artikel 11 van Vo.3820/85 welke ongewijzigd is overgenomen uit Vo. 543/69. De vraag rijst onmiddellijk of deze bepaling niet in strijd is met het EEG-verdrag, zelf. nl.

artikel 53 (oud) bepaalde: 'De Lid-Staten voeren geen nieuwe beperkingen in met betrekking tot de vestiging op hun grondgebied van onderdanen der andere Lid-Staten, voorzover in dit Verdrag niet anders is bepaald.'

Het is voorts bekend dat er ten aanzien van de vakbekwaamheidsvereisten voor ondernemers in het vervoer een discussie in de Europa gaande is (naar aanleiding van het Rapport Slingeland) over de harmonisatie op een minimum-niveau, die er juist toe leidt dat er geen harmonisatie ontstaat, omdat er nu eenmaal landen zijn die hun eisen op nationaal niveau wensen op te schroeven.

Een verschilpunt ten opzichte van bijvoorbeeld de situatie van de zaak van de voetbaltrainer en de advocaat in Frankrijk, is dat het Rijtijdenbesluit en het ontwerp Arbeidstijdenbesluit Vervoer niets regelt over buitenlandse diploma's. In ieder geval lijkt de bepaling van het ontwerp Arbeidstijdenbesluit Vervoer Rijtijdenbesluit beperkt en daardoor in strijd met Verordening 3820/85 in die zin dat slechts gesproken wordt over 'een door onze Ministers erkend getuigschrift van vakbekwaamheid' , waar genoemde Verordening in artikel 5 duidelijk spreekt over 'een door een van de Lid-Staten erkend

getuigschnft van vakbekwaamheid'.

Het betekent ook dat de rechtsgang bij weigering niet is gewaarborgd, waarvan diverse uitspraken van het Hof aangeven dat zulks een essentieel recht is. In de Wet Goederenvervoer over de Weg van 1992 is overigens wel geregeld dat houders van buitenlandse vakdiploma's voor beroepsvervoerder toegang tot de Nederlandse markt hebben. Verder is van belang om na te gaan of Nederland zich niet schuldig maakt aan (indirecte) discriminatie door het opleidingsniveau dat zij aan de eigen onderdanen oplegt, ook op te leggen aan werknemers uit andere lid-Staten, terwijl er in Nederland tegen veel kosten wordt opgeleid en geëxamineerd in een voor een buitenlander vreemde taal voor een opleiding die is omschreven in een Europese richtlijn.

Een eerste punt dat in een aantal arresten duidelijk tot uitdrukking komt is dat de rechtspraak zich niet beperkt tot de vergelijkbaarheid van sec diploma's, maar dat ook de

vakbekwaamheidsniveaus, worden vergeleken. In arrest C-340/89 wordt duidelijk ruimer getoetst dan alleen het diploma of certificaat. Gesproken wordt immers over ' ervaring, kennis, vakbekwaamheid' en het zeer ruime 'andere titels´ .

Een tweede punt, dat bepaald niet van belang ontbloot is, is dat de Richtlijn 76/914 uitgaat van een minimum-niveau van vakbekwaamheid dat tussen de leeftijd van 18 en 21 jaar kan worden aangetoond door middel van een certificaat van vakbekwaamheid, maar boven die leeftijd is het voldoende om te beschikken over een geboortecertificaat alsmede een rijbewijs voor een grote vrachtwagen of bus. Het is bekend dat uw Ministerie over een lijst van erkende certificaten, zoals aangemeld bij de Europese Commissie beschikt. Deze aanmeldingen bedoelen dan ook slechts de onderlinge uitwisselbaarheid voor chauffeurs tussen 18 en 21 jaar zeker te stellen. Het is dan ook een lijst die een rol speelt bij het thans nog geldende artikel 9 lid 1 sub b Rijtijdenbesluit en niet bij artikel 10. Immers is boven die leeftijd geen uitwisseling van gegevens nodig omdat de leeftijdsgrens een harmonisering teweeg heeft gebracht. Geen enkele lid-Staat zal de Commissie op de hoogte stellen van diploma's die werknemers na hun 21e jaar behalen omdat die in het vrije verkeer van werknemers geen enkele functie hebben. Die vrijheid is al geregeld door de minimumleeftijd van 21 jaar. Derhalve zal een stelsel van ontheffingen nimmer de vrijheid van werknemers kunnen garanderen.

Het staat Nederland uiteraard wel vrij om haar eigen onderdanen aan strengere regels te binden. Dat mag er echter niet toe leiden dat werknemers uit andere lid-Staten worden gediscrimineerd. Derhalve zal men bij onderdanen van andere lid-Staten niet mogen vragen naar certificaten en/of diploma's, maar naar zijn vakbekwaamheidsniveau, en met name de vraag of hij in eigen land gerechtigd was zijn beroep uit te oefenen. In vrijwel soortgelijke bewoordingen wordt geredeneerd in het C-340/89 van het Europese Hof. Is iemand in eigen land gerechtigd het beroep uit te oefenen op basis van kennis, vaardigheden, ervaring en (zo mogelijk) diploma's?

Een derde punt is, dat de lijst van de Commissie zoals bekend bij het Ministerie bepaald niet kan overtuigen, als zijnde een lijst met vakbekwaamheidscertificaten. Immers noemen de Duitse, Engelse en Belgische opgaven een of meer keren een rijbewijs als vakbekwaamheidscertificaat. Daarmee wordt met deze lijst - die uiteraard Nederlandse vervoerders, laat staan buitenlandse chauffeurs niet bekend is - glashelder dat andere

lid-Staten eigenlijk een groot rijbewijs al voldoende vinden voor een chauffeur vanaf

18 jaar. Van de lid-Staten die hebben verzuimd een opgave te doen, mag eveneens worden aangenomen dat deze niet meer vereisen dan het grote rijbewijs.

Een vierde punt is dat het basisrecht van vrije beroepsuitoefening en vrij werknemersverkeer voor onderdanen van andere lid-Staten onmogelijk afhankelijk kan zijn van een in een derde lid-Staat af te geven ontheffing, zelfs al zouden de criteria ter beoordeling daarvan juist zijn.

Al met al verzoek ik op voorgenoemde gronden de diplomaplicht voor bedoelde chauffeurs geboren na 30 juni 1955 niet in enige wetgeving op te nemen.

Hoogachtend,

J.B. Vallenduuk 

 

ยป Terug naar het nieuwsoverzicht