Laatste nieuws
Geen boete langs de weg in Oostenrijk (17 January 2012)
Uitbreiding naar 8 advocaten (04 January 2012)
Fijne kerst en een spetterend 2012 ! (16 December 2011)
Archief per jaar
2012
2011
2010
2009
2008
2007
2006
2005
2004
2003
2002
2001
Voer a.u.b. een woord in om te zoeken.
Wegvervoer al weer wat liberaler: de Andreas Hoveszaak
Haarlem — 8 juli 2002
Het Hof in Luxemburg heeft op 2 juli 2002 uitspraak gedaan in de zaak Andreas Hoves. Het ging om een Duitse vervoerder uit Bocholt die het aan de stok kreeg met de Duitse Belastingdienst omdat hij een vestiging in Luxemburg had. Hij was niet zozeer creatief door een filiaal in Luxemburg op te richten. In het wegvervoer zijn alle Europese ondernemers immers onderworpen aan de zelfde vestigingswetgeving. Wel had hij de moed om over de grens een vestiging op te zetten. Andreas Hoves Speditionsgesellschaft Gmbh richtte namelijk in 1989 een Sarl met dezelfde naam in Luxemburg op. Hij is van beide bedrijven directeur. Vanaf 1996 is het Luxemburgse bedrijf ook werkzaam als internationaal vervoerder voor verschillende opdrachtgevers. Er werd nogal in Duitsland gereden met cabotagevergunningen.
Zoals bekend is het doel van de Europese gemeenschap o.a. gericht op afschaffing van beperkingen in het handelsverkeer. Als ondernemingen daar invulling aan willen geven, zijn er vaak lid-Staten die met beroep op nationale wetgeving dat ongedaan proberen te maken. Zo ook Duitsland in deze zaak. Op enige moment claimt de Sarl teruggave voorheffing over de omzet 1993/1994 bij de Duitse belastingdienst. De Duitse belastingdienst wend zich tot de Luxemburgse autoriteiten om opheldering te krijgen over de plaats van waar het bedrijf wordt geleid. De Luxemburgse fiscus bracht in juli 1996 rapport uit, dat er op neer kwam dat er in de zin van het bilaterale belastingverdrag tussen beide landen niet echt sprake was van een reële vestiging aldaar, en dat de eigenlijke leiding in Duitsland zetelde. Er was in Luxemburg geen parking voor de voertuigen en ook geen echte werkplaats, hooguit een kantoortje. Alle belangrijke beslissingen werden in Duitsland genomen, waar de heer Hoves ook meestal verbleef. Als gevolg daarvan werd de Sarl in Duitsland aangeslagen voor o.m. 166.00 DM motorrijtuigbelasting. De Duitse fiscus was van mening dat zijn voertuigen in strijd met de Duitse wetgeving een Luxemburgs kenteken hadden. Duitse nationale wetgeving vereiste bij gebruik op haar grondgebied dat de voertuigen daar geregistreerd moesten zijn. Aan de Luxemburgse kentekens en cabotagevergunningen had het Duitse Finanzamt geen boodschap.
Het Europese Hof heeft nu uitspraak gedaan op de volgende vragen, waar de Duitse belastingrechter niet uit kwam. Mag Duitsland nationale regels toepassen die motorrijtuigbelasting opleggen aan voertuigen die in een ander lid-staat zijn geregistreerd en aldaar een cabotagevergunning hebben en daarmee in Duitsland vervoer verrichten en daar gewoonlijk hun standplaats hebben? De tweede vraag was of de Duitse nationale regeling wel in overeenstemming was met de Europese richtlijn over het heffen van motorrijtuigbelasting. Hoves stelt: ik heb in Luxemburg euro-vergunningen en cabotagevergunningen. Elk jaar word ik gecontroleerd op de voorwaarden, zoals vestigingsplaats en standplaats van de voertuigen. Vervolgens geeft hij een aantal criteria die erop duiden dat hij in Luxemburg gevestigd is.
De advocaat-generaal (AG)heeft in november 2001 een zeer uitvoerige conclusie geschreven. Volgens hem moet de Duitse overheid de registratie van de voertuigen en het feit dat de sarl in Luxemburg is gevestigd en daar een vergunning voor het verrichten van (cabotage-)vervoer heeft, accepteren. De AG zegt nog meer interessante dingen. Hij meent dat het een achterhaald standpunt is dat er gekozen wordt voor een standplaats-criterium. De huidige voortschrijding van de communicatietechniek maakt het immers mogelijk dat in zo’n klein bedrijf als Hoves twee personen beslissingen nemen over de inzet van voertuigen ongeacht waar vandaan.
De uitspraak van het Hof is in overeenstemming met het advies van de AG. Een eerste interessant punt is dat het zeer wel mogelijk is dat bepaalde beslissingen over de organisatie van het vervoer konden worden overgelaten aan een andere vestiging in een andere lid-Staat. Tot nu toe hield de NIWO in Nederland vrij star vast aan het standpunt dat alle beslissingen over het transport in de vestiging van het bedrijf zelf genomen moesten worden. Een tweede punt dat in het kader van bescherming van nationale belangen duidelijkheid schept, is dat een lid-staat voertuigen geregistreerd in een andere lid-Staat moet beschouwen als voertuigen uit die lid-Staat. Daar mag men niet nationale wetgeving op loslaten onder het motto: wij erkennen die registratie niet. Het EG recht schrijft in dat soort zaken een informatieprocedure voor. Dus uitgaan van een legale constructie en bij twijfel eerst informatie vragen bij de lid-Staat van registratie. Duitsland kreeg in deze zaak het verwijt dat er niet in Luxemburg was geïnformeerd. Een laatste punt dat is beslist, is de vraag waar voertuigen moeten worden belast. Dat is niet de plaats waar de voertuigen gewoonlijk worden gestald, maar de plaats waar zij zijn geregistreerd. Daar direct mee samen hangt de vraag: hoe zit het nu met het tijdelijke karakter van cabotage? Dat is toch langer dan menigeen denkt!
ยป Terug naar het nieuwsoverzicht

