Fondsen Beroepsgoederenvervoer (SOOB) hebben niet altijd gelijk

LJN: BP6397, Gerechtshof 's-Gravenhage , 200.034.229/01

Datum uitspraak: 01-03-2011
Datum publicatie: 02-03-2011
Rechtsgebied: Civiel overig
Soort procedure: Hoger beroep
Inhoudsindicatie: arbeid; premieheffing branchereglingen; onverschuldigde betaling;
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE 
Sector handel

Zaaknummer  : 200.034.229/01

Rolnummer rechtbank  : 746094/CV EXPL 08-2672 sector kanton, locatie Delft 

arrest van de negende civiele kamer d.d. 1 maart 2011

inzake

....... Transport B.V.,
gevestigd te Monster, gemeente Westland,
appellante,
hierna te noemen:.....,
advocaat: mr. M.E.L. Vallenduuk te Haarlem,

tegen

1.  Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het beroepsvervoer over de Weg,
2.  Stichting Prepensioenfonds voor het Beroepsgoederenvervoer over de Weg en Verhuur van Mobiele Kranen,
3.  Stichting Vrijwillig Vervroegde Uitttreding voor het Beroepsgoederenverkeer over de Weg en de Verhuur van Kranen,
alle gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerden,
hierna te noemen: de Fondsen,
advocaat: prof. dr. E. Lutjens te Amsterdam

Het geding

Bij exploot van 25 mei 2009 is ..........in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank, sector kanton, locatie Delft, tussen partijen gewezen vonnis van 26 februari 2009. 
Bij memorie van grieven met producties heeft ........ vier grieven aangevoerd, die door de Fondsen bij memorie van antwoord met producties worden bestreden. 
Partijen hebben op 7 september 2010 schriftelijk gepleit. 
Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis van 26 februari 2009 sub 1.1. en 1.2. vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.

2. Met ingang van 1 januari 2010 zijn (onder meer) de Fondsen gefuseerd, waarbij geïntimeerde sub 1. de verkrijgende rechtspersoon is. In verband daarmee zullen hieronder niet alleen de geïntimeerden gezamenlijk doch ook iedere afzonderlijke geïntimeerde aangeduid worden als "de Fondsen".

3. Het gaat in deze zaak - zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang - om het volgende.

Premies voor prepensioen over 2002

4. De Fondsen hebben bij ...... onder meer premies voor prepensioen over 2002 in rekening gebracht. Dit ging om in totaal € 21.242,88. ..... heeft deze premie betaald.

Premies voor prepensioen over 2003, 2004 en 2005

5. De Fondsen hebben voorts bij ...... premies voor prepensioen over 2004 resp. over 2003 en 2005 in rekening gebracht. Voor deze premies ad in totaal € 10.307,41 resp. € 12.872,33 - alsmede de reglementaire verhoging ad 15% en wette¬lijke rente vanaf 2 december 2005 resp. 14 april 2006 - zijn door de Fondsen in twee dwangbevelen uitgevaardigd, te weten op 24 maart 2006 resp. 6 juni 2006; deze dwangbevelen zijn op 4 april 2006 resp. 19 juni 2006 aan ...... betekend. 
........... heeft ter zake daarvan geen verzetprocedure(s) ingesteld, zodat deze dwangbevelen in kracht van gewijsde zijn gegaan. 
Deze dwangbevelen werden voor de Fondsen door de deurwaarder ter incasso behandeld on¬der diens dossier¬nummers 465923 resp. 480673. In de brief van de deurwaarder van 20 mei 2008 aa ............. is vermeld dat het restant van die vorderingen - op dat moment - in totaal € 18.907,61 bedroeg.

Ontbreken premieplicht voor prepensioen over de periode 1 januari 2002 - 20 februari 2003

6. De door de Fondsen in rekening gebrachte premie voor prepensioen over voormelde pe¬ri¬ode 1 januari 2002 - 20 februari 2003 bedraagt € 21.242.88 over 2002 (zie hierboven sub 4.) en € 4.101,89 over 2003 (tot 20 februari; dit bedrag is begrepen in de hierboven sub 5. be¬doelde premie). Derhalve in totaal € 25.344,77. 

7. Nadat het gerechtshof Arnhem - in een zaak tussen de Fondsen en een andere werkgever in de onderhavige branche - had bepaald dat er geen rechtsgrond voor een vordering zoals hierboven sub 6. bedoeld bestond, aangezien in die periode geen verplichtstelling van kracht was en de betrokken werkgever ook niet anderszins aan die regeling was gebonden, heeft ....... die in een vergelijkbare positie verkeerde als die andere werkgever - in haar brief van 15 de¬cember 2006 aan de toenmalige administrateur van de Fondsen aanspraak gemaakt op creditering en restitutie van dit bedrag.

8. De Fondsen hebben aanvankelijk daaraan niet zonder meer willen meewerken. Zij stelden onder meer als voorwaarde dat eerst door .......... een door ieder van de betrokken werknemers getekende vrijwaringsverklaring ter zake zou worden verstrekt. 

9. Nadat het Gerechtshof Amsterdam - in een andere zaak tussen de Fondsen en enkele andere werkgevers in de onderhavige branche - op 20 december 2007 had bepaald dat een derge¬lijke voorwaarde niet mocht worden gesteld, hebben de Fondsen per brief van 27 juni 2008 aan ........ laten weten dat zij tot premierestitutie zullen overgaan indien .......... binnen 14 dagen na die brief laat weten dat zij, ondanks de consequenties die dit voor haar werknemers kan hebben, toch restitutie wenst. 
In de brief van 30 juni 2008 aan ........ kondigt de administrateur van de Fondsen aan dat het te restitueren bedrag eerst zal worden verrekend met hiervoor sub 5. bedoelde bedrag van € 18.907,61, waarna nog een 'tegoed' van € 6.437,16 resteert.

Premies 2006 en 2007

10. De Fondsen hebben bij .......... voorts premies en bijdragen in rekening gebracht over de jaren 2006 en 2007. Volgens de Fondsen was daarvan in totaal € 32.742,39 onbetaald gebleven. 

Procedure in eerste aanleg

11. De Fondsen hebben ......... gedagvaard op 14 maart 2008 en vorderden veroordeling van ........ om het hiervoor sub 10. bedoelde bedrag te betalen, te vermeerderen met wettelijke rente, 15% buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

12. Bij akte van 25 september 2008 in eerste aanleg hebben de Fondsen hun vordering verminderd en vorderen zij nog uitsluitend € 26.304,74 met de wettelijke rente daarover vanaf 18 oktober 2007 en de proceskosten. Dit lagere bedrag aan hoofdsom is het gevolg van verrekening van het hiervoor sub 9. (laatste zin) vermelde 'tegoed'. Omdat er bij ........ de nodige verwarring kon zijn ontstaan door de verschillende vorderingen van de Fondsen over verschillende jaren, hebben de Fondsen de gevorderde buitengerechtelijke kosten laten vallen. Bij akte van 20 november 2008 hebben de fondsen ook hun vordering ten aanzien van de proceskosten laten vallen.

13. ....... heeft in eerste aanleg geen vordering in reconventie ingediend.

14. In het vonnis waarvan beroep is het bedrag van € 26.304,74 toegewezen, met de wettelijke rente daarover vanaf 14 maart 2008; de proceskosten zijn gecompenseerd.

Kern van het geschil in hoger beroep

15. Uit hetgeen door ....... bij schriftelijk pleidooi onder punt 12. is aangevoerd leidt het hof af dat het totaal aan verzonden premie- en rentenota's en het totaal aan door ........ aan de Fondsen betaalde bedragen thans op zichzelf geen onderwerp van geschil meer is. 

16. In het door de Fondsen bij memorie van antwoord als productie 10 overgelegde overzicht van de nota's 2002 t/m 2007 zijn uitdrukkelijk ook vermeld de creditnota's voor de hierboven sub 6. bedoelde premies (de laatste regel onder "2002" resp. "2003" in de kolom onder "Prepensioenfonds"). Bij gebreke van een nadere toelichting van de kant van ....., welke ontbreekt, moet het er daarom voor worden gehouden dat deze als zodanig - met de daarbij ver¬melde datum 28-11-2008 - in de administratie van de Fondsen zijn verwerkt en onderdeel zijn van het hierboven sub 15. bedoelde totaal aan nota's en betalingen. 

17.......... stelt zich - zo begrijpt het hof haar stellingen in hoger beroep - op het standpunt dat haar beroep op verrekening ten aanzien van het hierboven sub 6. bedoelde bedrag meebrengt dat zij - zakelijk weergegeven - volledig in een positie moet worden gebracht als die waarin zij zou hebben verkeerd indien de sub 6. bedoelde premies niet bij haar in rekening waren gebracht. Alsdan zouden de door haar ter zake betaalde bedragen op andere nota's zijn afgeboekt, zou bij haar minder rente in rekening zijn gebracht en zouden ook de hiervoor sub 5. bedoelde dwangbevelen niet zijn uitgevaardigd en zouden bij haar niet de daarin vermelde 15% incassokosten in rekening zijn gebracht en zouden daarnaast ook geen overige deurwaarderskosten op de door haar betaalde bedragen in mindering zijn gebracht. Met als gevolg dat van het hiervoor sub 12. bedoelde bedrag niets meer, althans een veel lager bedrag, zou openstaan.

18. De Fondsen voeren daartegen aan - zakelijk weergegeven - dat alleen verrekening mogelijk is indien en voor zover ten tijde van de verrekeningsverklaring sprake is van vorderingen over een weer - hetgeen niet het geval is indien deze voordien zijn betaald - alsmede dat de met inmiddels onherroepelijk geworden dwangbevelen (zie ook hierboven sub 5.) in rekening gebrachte bedragen, waaronder 15% incassokosten en wettelijke rente, niet meer aan de orde kunnen worden gesteld. Voorts beroepen de Fondsen zich er op dat er een groot aantal betalingen door ........ vergezeld gingen van een specifiek betalingskenmerk en dat die betalingen dus terecht door hen zijn afgeboekt op die betreffende vorderingen.

19. Het hof overweegt als volgt.

19.1. Stap 1 bij verrekening is - buiten de gevallen bedoeld in art. 6:140 BW, m.n. de rekening-courant, die zich hier niet voordoen - de afgelegde verklaring. De verrekening betreft dan de op dat moment bestaande vorderingen over en weer. Behoudens het geval bedoeld in art. 6:131, eerste lid, BW, welk geval zich hier niet voordoet, geldt dat vorderingen die op het moment van de verrekeningsverklaring niet meer bestaan, bijvoorbeeld omdat zij reeds zijn voldaan, hier dus buiten vallen.

19.2. Voor zover stap 1 kan leiden tot verrekening, werkt deze verrekening ingevolge het bepaalde in art. 6:129, eerste lid, BW weliswaar terug, maar dat gaat niet zover dat een vóór de verrekeningsverklaring onherroepelijk geworden dwangbevel daarmee ongedaan wordt gemaakt. De uitspraak waar ........ zich op heeft beroepen geeft voor een andersluidend oordeel geen basis; in die zaak ging het om een beroep op verrekening in het kader van een tegen het dwangbevel geëntameerde verzetprocedure. De sub 5. hiervoor bedoelde dwangbevelen met de daarin vermelde premie, de reglementaire verhoging en de wettelijke rente - tot aan de datum van het dwangbevel - blijven dus in stand en de op grond van die dwangbevelen verrichte betalingen gelden niet als onverschuldigd gedaan. 

19.3. Voorts bepaalt art. 6:129, tweede lid, BW dat de terugwerkende kracht van de verrekening niet verder terugwerkt dan tot het einde van de laatste termijn waarover rente is voldaan.

19.4. Hetgeen hierboven sub 13. is overwogen leidt ertoe dat de vorderingen van ....... in hoger beroep (voor zover deze verder strekken dan afwijzing van de vorderingen van de Fondsen en daarmee verband houdende proceskostenveroordeling) niet voor toewijzing in aanmerking komen. Overigens beroept ...... zich er terecht op dat voor een beroep op verrekening geen reconventionele vordering noodzakelijk is.

19.5. Het voorgaande brengt mee dat de volgende vragen moeten worden beantwoord:

a)  wanneer heeft ....... zich ten aanzien van de hierboven sub 6. bedoelde premies op verrekening beroepen: met de brief van 15 mei 2008, die de Fondsen aanmerken als "het eerste echte verrekeningsverzoek" (schriftelijk pleidooi bij punt 32), of eerder in haar contacten met de deurwaarder, zoals ..... zegt vanaf november 2006 te hebben gedaan in het kader van diens incasso-activiteiten in de sub 5. hierboven bedoelde dossiers? Hierbij moet worden bedacht dat een verrekeningsverklaring vormvrij is.

b)  welke vorderingen (premie voor prepensioen of anderszins) hadden de Fondsen op dat moment op .......?

c)   wat was de laatste periode waarover op dat moment reeds rente voor die vorderingen was voldaan? 

d)  wat zou het bedrag zijn dat ........ nog aan premie prepensioen over 2006 en 2007 verschuldigd is indien de sub 6. bedoelde premierestitutie zou zijn verrekend met inachtneming van hetgeen sub 19.1 t/m 19.4. is overwogen? 

20.1. Het hof dringt er - mede uit proceseconomische redenen - bij partijen op aan dat zij in overleg bezien of een regeling in der minne met inachtneming van hetgeen hierboven is overwogen tot de mogelijkheden behoort. 

20.2. Daarbij moet in het oog worden gehouden dat de verschillende data als hiervoor sub 19.5. sub b) vermeld - naar zich laat aanzien - qua uitkomst niet tot grote verschillen zullen leiden. 

20.3. Voorts wordt aangetekend dat hetgeen sub 19.2. is overwogen er op zich niet aan in de weg hoeft te staan dat de Fondsen in het kader van het overleg en met het oog op het bereiken van overeenstemming een duidelijk gebaar maken ten aanzien van de in die twee dwangbevelen vermelde verhoging van 15% en de uit die twee dwangbevelen voortvloeiende overige bij ...... in rekening gebrachte deurwaarderskosten. Dit gelet op de op de Fondsen rustende "verzwaarde zorgplicht" en de specifieke omstandigheden in deze zaak zoals in dit arrest verwoord.

20.4. Gelet op het feit dat de Fondsen niet eerder dan doormiddel van de bij memorie van antwoord overgelegde overzichten in voldoende mate duidelijk is gemaakt dat de - door ......... bij gebrek aan daarover door de Fondsen verschafte duidelijkheid weersproken - verrekening zoals hierboven sub 9. is aangekondigd ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden (zodat dit niet voor de tweede keer ten aanzien van de onderhavige premievordering over 2006 en 2007 kan geschieden), is in dit geval ook compensatie van proceskosten in hoger beroep aangewezen.

20.4. Indien partijen niet tot overeenstemming komen zullen de Fondsen in de gelegenheid worden gesteld om zich bij akte uit te reageren omtrent hetgeen hierboven sub 19.5. is over¬wogen, daarbij uitgaande van hetgeen in dit arrest overigens is overwogen. ....... zal daarop bij antwoordakte mogen reageren.

21. Met het oog op het voorgaande zal de zaak worden verwezen naar de rol van ### voor beraad partijen.

22. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof:

-  verwijst de zaak naar de rol van 3 mei 2011 voor beraad partijen;

-  houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.H. van Coeverden, J.W. van Rijkom en R.S. van Coevorden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 maart 2011 in aanwezigheid van de griffier.